Er is echter een aantal holtes in ons lichaam, waarin die druk veel minder makkelijk gelijkmatig kan worden verdeeld. Deze holtes zijn gevuld met lucht en omgeven door bot, wat veel stugger en minder flexibel is dan de huid. Als de druk van de buitenlucht op de lucht in deze ruimtes verandert, verandert ook het volume van de lucht in deze ruimtes. Door de stugge wand kan de ontstane druk minder makkelijk gelijkmatig worden verdeeld. Hierdoor ontstaat spanning, wat je in je oren en bijholtes kan voelen bij (snel) stijgen en dalen.
Tijdens het duiken oefent water, net als lucht, bij het stijgen en dalen een druk uit op het lichaam en dus ook op de holtes. De druk van water is aanzienlijk groter dan die van lucht omdat water dichter en zwaarder is en hier moet je als duiker dan ook goed mee om kunnen gaan.
De relatie tussen druk, volume en dichtheid
Wanneer lucht in de diepte wordt meegenomen, zal het volume omgekeerd evenredig met de druk veranderen. Dit houdt in dat wanneer je met een afsluitbare fles gevuld met 1L lucht afdaalt naar 10 meter diepte, de druk op de fles verdubbelt (naar 2 bar) en het volume halveert (0.5L). De fles deukt in. Op 20 meter (3 bar) diepte neemt het volume af tot een derde van het oorspronkelijke volume en bij het stijgen gebeurt het omgekeerde; het volume neemt weer toe en de druk neemt af. De fles ontdeukt weer.
Dit betekent ook dat als er tijdens de afdaling lucht wordt toegevoegd aan een luchthoudende ruimte, deze mee uit zal zetten bij het stijgen. Dit geldt uiteraard zolang de wand van de luchthoudende ruimte elastisch genoeg is. Als je bijvoorbeeld een ballon op 30 meter diepte vult met lucht, dan zal deze bij het bereiken van de oppervlakte vier keer zo groot zijn.
Afdalen en klaren
Bij het afdalen, zal de waterdruk toenemen. Dit merk je in de luchthoudende holtes van zowel je lichaam (oren en bijholtes) als je duikuitrusting (het masker). Door de toenemende druk, neemt het volume van de lucht in de holtes af. Hierdoor worden de lichaamsweefsels naar binnen gedrukt in de luchthoudende holtes en als het ware steeds verder vacuüm getrokken. Wanneer de afdaling wordt voortgezet, ontstaat een oncomfortabel gevoel dat steeds pijnlijker wordt, dit wordt ‘squeeze’ genoemd.
Om dit te vermijden, moet je ervoor zorgen dat het volume in je bijholtes en oren normaal gehouden wordt. Je moet klaren. Je voegt hierdoor lucht uit de longen toe aan de holtes, dit is mogelijk doordat de oren en bijholtes in verbinding staan met de mond, de neus en de keelholte.
Stijgen
Door het gebruik van een ademautomaat, is het mogelijk om het longvolume op diepte hetzelfde te houden als aan de oppervlakte. Tijdens het stijgen, wordt het volume van de lucht groter, de lucht zet uit. Als je normaal blijft uitademen levert dit geen problemen op, maar wanneer je de adem inhoudt, zal de uitgezette lucht niet kunnen ontsnappen. Dit kan al bij een drukverschil van 1-2 meter overdrukverwondingen (zie ook elders op de site) aan de longen veroorzaken!
Bij een verkoudheid is je neusslijmvlies opgezet, hierdoor ontstaat de obstructie op een ander niveau. Neusdruppels die het slijmvlies worden wel eens gebruikt maar er is een risico dat de werking van de neusdruppels is gestopt gedurende de duik waardoor je in de diepte problemen krijgt. Lucht die tijdens de opstijging in de luchthoudende holtes zit, kan er niet uit ontsnappen doordat de neus geblokkeerd is. Hierdoor krijg je een oncomfortabel gevoel, de druk van binnen is dan namelijk groter dan de druk van de omgeving.
Perslucht
De ademautomaat zorgt ervoor dat je in de diepte, lucht in kan ademen die dezelfde druk heeft als de omgeving. Dit heeft echter wel als gevolg dat lucht in de diepte sneller verbruikt wordt. Op 20 meter diepte is de druk 3 bar, dit betekent dat er per liter lucht 3x meer luchtmoleculen nodig zijn dan op zeeniveau. Bij iedere ademteug worden er dus 3x zoveel luchtmoleculen gebruikt om de longen met hetzelfde volume te kunnen vullen.